ARGUS informeert en inspireert voor een duurzame, milieuvriendelijke samenleving.
De nieuwssite www.argusactueel.be brengt nieuws en actualiteit over milieu, natuur en duurzame ontwikkeling.
Maak kennis met alle andere projecten van ARGUS op www.argusmilieu.be.
3 Maart 2011 - Cradle to Cradle in de praktijk
Als het aan de geestelijke vaders van cradle to cradle ligt, is hun geesteskind de beste manier om duurzaam te produceren. Daar vallen nochtans een paar serieuze bedenkingen bij te formuleren, al zou het onverstandig zijn om het kind met het badwater weg te gooien.
Recyclen is vaak niet meer dan een eufemisme voor downcyclen, waarbij het leven van een product langer wordt gerekt in de vorm van minderwaardige en potentieel schadelijke producten voor ze uiteindelijk toch worden verbrand of gedumpt. Voorbeelden zijn er bij de vleet. Gerecycled staal bestaat uit een amalgaam van gesmolten staal, verf en plastic en is dus minder zuiver dan nieuw staal.
Papier wordt vaak gebleekt met chloor om het te recyclen, het eindresultaat is een mix van chemicaliën, pulp en vaak giftige inkt. Een fleece gemaakt uit gerecyclede plastic flessen, het klinkt misschien geweldig, maar de vezels bevatten giftige stoffen die nooit bedoeld waren om in aanraking te komen met mensenhuid.
Het mag duidelijk zijn: recyclen mag dan wel een goed gevoel geven, het is daarom nog niet noodzakelijk de beste oplossing voor de mens of het milieu. Dat wordt voornamelijk veroorzaakt door het feit dat we geen producten maken met hergebruik in het achterhoofd. In 2002 pakten de Duitse chemicus Michael Braungart en de Amerikaanse architect William McDonough uit met het boek Cradle to Cradle. Remaking the Way We Make Things, waaruit de bovenstaande voorbeelden afkomstig zijn.
Produceren als een kersenboom
Braungart en McDonough timmerden al langer aan de weg van de upcycling. Cradle to Cradle, kortweg C2C, staat voor een wieg-tot-wieg-aanpak. Als we echt duurzame producten willen maken, stelt C2C, moeten we ze anders gaan ontwerpen.
Braungart en McDonaugh stellen voor om producten te produceren, te consumeren en te hergebruiken zoals de natuur dat doet: in een eindeloze, gesloten kringloop, zonder vervuiling of nodeloos verlies van energie. Terwijl we sinds de industriële revolutie voorwerpen ontwerpen om te dienen van de wieg tot hun graf, ergens op een vuilnisbelt of in een verbrandingsoven, suggereren zij om producten, gebouwen, kortom onze hele leefomgeving zo te ontwerpen dat ze bij de productie, tijdens het gebruik en ook op het einde van hun levenscyclus het milieu niet belasten en zonder problemen aan de basis kunnen liggen van nieuwe, volwaardige producten. Een prachtige filosofie, waarbij McDonough en Braungart er gemakshalve aan voorbij gaan dat er in eender welk proces altijd verliezen zijn van kwaliteit en energie – een honderd procent efficiënte materialencyclus is fysiek onmogelijk.
De C2C-goeroes illustreren hun ideale wereld met een beeld uit de natuur: een overvloedig bloeiende kersenboom. Die leeft van niets anders dan water, zonlicht, voedingsstoffen in de grond en de lucht, om duizenden prachtige bloesems te creëren en vrucht te dragen. Hij bloeit overvloedig en voorziet ons gul van massa's kersen.
De boom is niet eco-efficiënt en hoeft dat ook niet te zijn. Bij C2C gaat het over iets helemaal anders: eco-effectiviteit. Alles wat niet meteen door mensen of vogels wordt geconsumeerd, belandt weer in de natuurlijke kringloop en voedt het hele ecosysteem rondom de boom. Afval is voedsel. De zon levert alle energie. Cradle to Cradle, het groene boekje van de C2C-goeroes, levert trouwens een bewijs dat ook complexe technologische producten eindeloos herbruikbaar kunnen zijn. Het bestaat uit synthetisch papier (vrij van katoen of houtpulp), dat volwaardig gerecycled kan worden. Het is dus perfect mogelijk om naast de biologische kringlopen ook de technologische kringlopen te sluiten.
Helaas, ook een C2C-industriële wereld is geen kersenboom, die gul vruchten draagt en zijn eigen afval tot nieuwe vruchten verwerkt. Bij alle industriële processen, en dus ook bij recycling, is veel energie nodig, en bij C2C komt heel wat extra transport kijken. Dat gebeurt tot nader order voornamelijk met niet-hernieuwbare bronnen en draagt dus bij tot CO2-uitstoot en de klimaatsverandering. In feite reist Michael Braungart de wereld rond met een boodschap van onversneden consumentisme, waarbij hij vertelt dat we dank zij C2C volop zullen blijven consumeren as usual.
Alhoewel C2C een hele verbetering zou betekenen tegenover de huidige productieprocessen, blijf je stoten op de eindigheid van water, landbouwgrond en andere grondstoffen, zelfs in een 100% hernieuwbare energie-scenario, dat zelfs optimisten niet verwachten voor 2050, en dat C2C voor alle duidelijkheid ook niet vereist bij de productie.
Het monopolie van C2C
Bijna tien jaar nadat McDonough en Braungart hun principes te boeken stelden, is het enthousiasme erover groot bij sommige overheden en bedrijven. Voormalig Vlaams minister Kathleen Van Brempt (SP.a) is een grote fan. Greenpeace pleitte in een onlangs verschenen rapport over energievoorziening voor een cradle to cradle aanpak bij alle design.
Voorlopig laat de grote doorbraak op zich wachten. De filosofie van C2C toepassen op industriële processen is aartsmoeilijk, zo blijkt uit de praktijk. En dat niet alleen omdat de industrie gewoon is te werken in een cradle to grave-aanpak, omdat er complexe bevoorradingsketens aan elk product voorafgaan, en omdat producten uit honderden of duizenden stoffen en onderdelen bestaan, waarvan sommige giftig zijn of op een of andere manier schadelijk voor het milieu. Een andere reden waarom C2C zo moeilijk van de grond komt, zo wordt beweerd, is omdat McDonough en Braungart via het C2C-certificeringsbureua EPEA een monopolie hebben uitgebouwd, wat hen toelaat zeer hoge consultancy- en certificeringskosten aan te rekenen.
De producten die ondertussen al C2C-gecertificeerd zijn, zijn op enkele handen te tellen en vaak maken ze maar een zeer klein deel uit van de totale productie van de fabrikanten die er veel moeite en tijd in gestopt hebben. Op een zogenaamde Exeperienced Cradle to Cradle-workshop in de Gentse Vlerick School eind vorig jaar getuigden een aantal Belgische bedrijven over hun vaak moeizame C2C-inspanningen. Sommigen zijn ondertussen alweer een stapje verder.
Een propere handdoek
De C2C gecertificeerde-handdoek van het West-Vlaamse bedrijf Jules Clarysse is minder slijtvast en minder mooi van kleur dan een reguliere handdoek. Hij is wél 100% bio-afbreekbaar (en dat met name vanwege de gebruikte verftechnieken), maar hij wordt niet gemaakt uit afval, wat je afgaande op de C2C-principes eigenlijk zou verwachten. Wel uit katoenvezels die vroeger te kort waren om in de reguliere productie te worden gebruikt.
Het kostte heel wat moeite om de toeleveranciers van Jules Clarysse te overtuigen van het C2C-gedachtengoed, vertelt consultant Carl Dewaele. Er bestaat een grote omzichtigheid om fabrieksgeheimen over de precieze samenstelling van (onderdelen van) producten te delen. Al kan EPEA daarbij optreden als een derde partij met een non-disclosure agreement. Zo kan de C2C-certificatieorganisatie analyseren of een component C2C-proof is, zonder dat de toeleverancier zijn recepten moet prijsgeven aan de producent. Omdat een van de toeleveranciers van Jules Clarysse ook daartoe niet bereid was, zag de handdoekenfabrikant zich genoodzaakt om met een andere toeleverancier in zee te gaan.
Het probleem met papier
Gyproc is sinds kort de trotse bezitter van een C2C Silver Certificate, met name vanwege zijn inspanningen op het gebied van recyclage van het product. De mogelijke volgende stappen zijn C2C-Gold en C2C-Platinum. De verschillen tussen Basic, Silver, Gold en Platinum vind je in dit handige overzicht: http://issuu.com/georgekroon/docs/c2c_certification_matrix.
Opmerkelijk bij Gyproc is dat het hier om het standaardproduct van het bedrijf gaat, de 12,5 mm dikke gyprocplaat, die goed is voor 30% van de totale productie. Ook hier had de certificering enige voeten in de aarde, en dat vooral vanwege de chemicaliën in de lijm en het papier dat rond de gyprocplaten zit. Sustainability leader Luc Plancke van Saint Gobin – Gyproc legt uit dat het gips van de Gyproc-platen zich perfect laat recycleren. Om te beginnen is het gips in de platen niet afkomstig uit de natuur. Het is een afvalproduct uit de elektriciteitsindustrie, meer bepaald uit steenkoolcentrales. Wanneer de zwavelrijke emissies door een kalkemulsie worden gevoerd, ontstaat door oxidatie rookontzwavelingsgipd of RO-gips, de basis van Gyproc-platen.
Ook op het einde van hun levenscyclus, bij afbraak of verbouwingen kunnen Gyproc-platen in principe perfect gerecycled worden, zo lang ze maar selectief worden ingezameld. Producent Saint Gobin mikt op 20% recyclage van het Vlaams gipsafval, ruim voldoende voor C2C-certificatie, dat 10% recyclage vereist. Die 10% recyclage is vandaag een feit, voornamelijk dank zij productie- en werfafval, aangevuld met sloopafval.
De lijm waarmee het karton op de gipsplaten wordt geplakt, is ondertussen C2C-gecertificeerd. Gyproc veranderde ervoor van leverancier. Maar C2C-karton om op de gipsplaten te plakken, dat bestaat nog niet. Daarom geldt het Silver certifcate onder voorbehoud, voor een jaar, ook al draait het probleem om molecules die minder dan 1% uitmaken van het papier, of minder dan 0,005% van de afgewerkte gipsplaat. De papierproducent heeft zich ondertussen ingeschreven in een uitfaseringsscenario. Als dat niet lukt, kan EPEA nog hulp bieden. 'Indien gewenst, kunnen we een nieuw product door hen laten ontwerpen, maar dan moet je een bepaald percentage van je omzet aan hen afstaan,' zegt Luc Plancke.
Alles samen noemt Luc Plancke de kosten die Gyproc maakte om C2C-conform te worden 'bijzonder laag in vergelijking met andere industrieën. We hebben vooral intern kosten gemaakt om alles naar behoren te realiseren, een kost die in de honderdduizenden euro's loopt. Het zou een heel ander verhaal zijn als we ons proces moesten aanpassen. Ook de certificering op zich is in vergelijking met andere certificaten niet zo duur.'
C2C-gecertificeerde Gyproc platen worden niet duurder voor de consument. 'Wij hebben de keuze voor de consument gemaakt. We vinden dat het niet duurder hoeft te zijn om je milieuverantwoordelijkheid op te nemen,' besluit Luc Plancke.

Huur eens een tapijt
Zou een product op basis van een petroleumderivaat duurzaam, volledig recycleerbaar en C2C-gecertificeerd kunnen zijn? Het klinkt misschien onwaarschijnlijk, maar het antwoord is ja. Naast de zogenaamde biologische kringloop erkent C2C immers ook de technische kringloop, waarin het constante hergebruik van waardevolle synthetische producten en mineralen voorop staat in een zogenaamd technisch metabolisme, naar analogie met de natuurlijke cyclus.
Tapijtfabrikant Desso produceert een tapijttegel die C2C-Silver is gecertificeerd. Deze producent heeft overigens het engagement uitgesproken om de C2C-principes op termijn op al zijn productlijnen toe te passen. Zo klinkt het in de brochure: 'DESSO wordt niet “minder slecht” maar juist beter voor mens en milieu. De Cradle to Cradle-tapijten zijn ontworpen vanuit een positieve invalshoek. Niet “minder giftige stoffen gebruiken”, maar een zorgvuldige keuze van goede materialen die niet schadelijk zijn voor gezondheid of milieu, waardoor het tapijt zijn goede eigenschappen behoudt en zijn minder goede kwijtraakt.'
In de praktijk zijn voor Desso tapijttegels niet langer alleen producten, maar ook grondstoffen. Ingezamelde tegels worden geshred, waarbij de rug van het garen wordt gescheiden. Tegen 2020 is het streven dat elk nieuw product 100% recycleerbaar moet zijn, en geproduceerd met 100% hernieuwbare energie, vertelt Desso's C2C-Team member Erik De Bisschop. Desso gaat daarmee verder dan wat voor C2C vereist is. Tegen 2013 wil het bedrijf 4% van de totale Europese tapijtafvalberg recyclen (8 miljoen m2). Het is weliswaar 10% duurder om tapijt op deze manier te produceren, en de markt is niet zomaar bereid deze prijs te betalen, maar Desso lijkt ervan overtuigd het marktmodel van de toekomst gevonden te hebben. Erik De Bisschop heeft het over een nieuw concept: tapijt verhuren in plaats van verkopen. Daarbij blijft de producent eigenaar van de tapijt tijdens zijn hele levenscyclus. Hij staat in voor het onderhoud, verwijdert de tapijt na gebruik en maakt er nieuwe van. De cirkel is gesloten.
Problemen met de utopie
Zelfs een inspirerend en doorgedreven verhaal als dat van Desso, dat niet blijft steken in marketinggerichte greenwashing van een heel bedrijf op basis van één product, maar tot doel heeft een heel bedrijf tot diep in zijn DNA te doordringen van C2C, legt een aantal problemen bloot. Een nadeel van de C2C-cyclus is dat er erg veel transport bij komt kijken, wat tot nader order het gebruik van eindige fossiele brandstoffen en het uitstoten van extra CO2 met zich meebrengt. Bovendien blijft Desso voorlopig gebruik maken van (eindige) petroleumderivaten als basis voor het polymeergaren, al is onderzoek naar andere materialen zoals jute, bamboe en hennep volop aan de gang. Staan we voor een doorbraak van een principe dat de manier waarop we dingen ontwerpen en maken grondig zal veranderen, of is C2C niet de enige weg naar duurzaamheid die we moeten volgen? Het antwoord is wellicht tweemaal ja.
C2C heeft al tot een paar mooie realisaties geleid, maar er vallen ook een aantal vraagtekens bij te plaatsen. Soms lijkt C2C à la Braungart en McDonough verdacht veel op greenwashing, met name als een bedrijf maar één enkel product in een breed gamma laat certificeren en zich zo voor het hele bedrijf een groen imago aanmeet. De normen voor hernieuwbare energie mogen ook best omhoog. Zelfs bij een C2C-platinum-bedrijf is slechts 50% van de benodigde energie om een product te maken, afkomstig van zonne-energie.
Het rapport Sustainable Materials Mamagement for Europe somt een aantal strengths & weaknesses van C2C op. De kracht van het concept is de gesloten kringlopen, de focus op de productie van gezonde en veilige producten. Omdat de gebruiker niet langer de eindgebruiker is, blijven de producten in de biologische en technologische kringloop voortbestaan. Het is een interessant nieuw model voor de productie en het gebruik van producten, met terugnamemogelijkheden en kans voor extrta werkgelegenheid.
Als 'potential weaknesses' noemt het rapport de volgende aspecten. C2C gaat er onterecht van uit dat slim design en de (op termijn) onbeperkte aanwezigheid van hernieuwbare energie, volstaan om de ecologische impact van consumptie weg te nemen. De consumptie op een of andere manier aan banden leggen, is dus niet langer nodig. De ecologische sociologie wijst er op dat dat niet klopt. Zo'n houding kan leiden tot overconsumptie. Radicale technologische verbeteringen moeten aangevuld worden met gedragswijzigingen, benadrukken de auteurs. C2C houdt bovendien onvoldoende rekening met andere duurzaamheidskwesties voor SMM, zoals de beperkte beschikbaarheid van fosfaat, water, landbouwgrond en energie.
Kringlopen sluiten, dat kan ook zonder Braungart en McDonough, zo blijkt. Peter Tom Jones van het departement metaalkunde en toegepaste materiaalkunde van de K.U. Leuven zegt: 'Bedrijven kunnen onderling industriële clusters vormen waarin de afvalstromen van verschillende producenten beter op elkaar afgestemd worden. Industriële ecologie houdt zich bezig met vragen als: hoe kan je je afvalstromen van bedrijven inzetten als secundaire grondstoffen? Zijn er hoogwaardiger toepassingen voor afval dan dumpen of opslaan? Hoe kan je de processen zo aanpassen dat je aan het einde van de rit een product verkrijgt dat hoogwaardig kan worden ingezet? Een wereldwijd succesverhaal is dat van de metaalslakken uit hoogovens, die gegranuleerd worden en ingezet als cementvervanger. Zo wordt niet alleen afval vermeden, maar ook de productie van primair cement.'
Verschillende departementen van de Leuvense universiteit en andere instellingen werken samen om afvalstromen in kaart te brengen, te vermijden dat ze in landfills terecht komen en ze te laten gebruiken als secundaire grondstoffen: dat gaat veel verder dan C2C, dat alleen op productniveau denkt. Maar ook op dit gebied blijkt het bijzonder moeilijk om bedrijven gedetailleerd te laten prijsgeven welke stoffen er in hun product aanwezig zijn.
Een ander project zal er weldra ook in slagen om afval terug in de industriële kringloop te brengen. In Houthalen-Helchteren zal Group Machiels zijn Remo-stortplaats afgraven en de daar aanwezige grondstoffen voor hergebruik voorbereiden. Peter Tom Jones is coördinator van het consortium dat de exploitatie begeleidt. 'Tot nu toe leefden we in een lineaire economie waarin we stoffen uit de natuur haalden, er producten van maakten, ze consumeerden en terug in de natuur lieten belanden. We moeten circulair beginnen werken, en ook uit oude landfills materiaal recupereren en het terug in de cirkel brengen.' C2C kan, mits een aantal verbeteringen, een deel van de oplossing zijn om kringlopen te sluiten, maar zeker niet de enige.









