ARGUS informeert en inspireert voor een duurzame, milieuvriendelijke samenleving.
De nieuwssite www.argusactueel.be brengt nieuws en actualiteit over milieu, natuur en duurzame ontwikkeling.
Maak kennis met alle andere projecten van ARGUS op www.argusmilieu.be.
20 September 2010 - Slimme meters: geen garantie voor een lager verbruik
Vaak wordt gesteld dat de slimme meters een schakel zijn voor een efficiënt energiebeleid. Maar volgens recent Nederlands onderzoek is er toch wel meer nodig dan slimme meters alleen.
In mei 2010 werd op deze site het artikel “Proefproject slimme energiemeters van start” gepubliceerd. Daarin wordt gesteld dat de slimme meters “een uitstekende hefboom voor een efficiënt energiebeleid vormen”. De invoering van de meter zou tot lagere verbruikskosten en tot het vermijden van investeringen in extra productiecapaciteit leiden. Daarmee wordt gesuggereerd dat de slimme meter voor energiebesparing zorgt. Die besparing is, afgezien van alle winst in termen van natuurlijke hulpbronnen en CO2-uitstoot, ook noodzakelijk om de financiële bijdrage te vereffenen van de consument die een meter geïnstalleerd krijgt. Maar werkt het ook zo?
Deze bijdrage is gebaseerd op een onderzoek naar de feitelijke effecten van die slimme energiemeter. Het onderzoek is uitgevoerd door UCPartners** en anderen ***, en begeleid vanuit de Radboud Universiteit Nijmegen****. Na een korte schets van de context, volgt informatie over de opzet, de hypotheses achter, en de uitvoering van het onderzoek. Ten slotte volgen er (relativerende) conclusies en aanbevelingen.
Context
De Europese Richtlijn betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten (2006/32/EC) besteedt aandacht aan de digitale meter. In de richtlijn wordt gesteld dat lidstaten huishoudens dienen te voorzien van individuele meters die het actuele
energieverbruik nauwkeurig weergeven, althans voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparing. Die beoogde energiebesparing is niet alleen het ‘scheren van de pieken’, bijvoorbeeld door met prijsprikkels de piekbelasting te verlagen. Energiebesparing moet ook volgen uit gedragsverandering op basis van ‘inzicht’. De gedachte is dat de digitale ‘slimme’ meter het mogelijk maakt om hoogfrequent meterstanden op te nemen en te verwerken tot informatie over de energieconsumptie. Verwacht wordt dat deze informatie (feedback) tot inzicht en daarlangs tot een gedragsverandering en ten slotte tot energiebesparing leidt.
Energiebesparingonderzoek
In het Energiebesparingonderzoek is nagegaan (1) welk effect er van de slimme energiemeter uitgaat, (2) wat het verschil in effect is naar gelang het type verstrekte feedback, en (3) welke gedragsfactoren hierin een rol spelen. Gedurende 3 maanden kregen 18 Nederlandse huishoudens via een aan de slimme meter gekoppeld en goed zichtbaar elektronisch display, continu feedback over hun energieverbruik. Daarlangs werd onder andere informatie over de consumptie in relatie tot het voorgaande jaar en in relatie tot een bespaardoel verstrekt. Een controlegroep van eveneens 18 huishoudens kregen alleen een slimme meter, maar dan zonder display. Beide groepen kregen energiebesparingadvies en werden gevraagd wekelijks de meterstanden op te nemen.
Hypotheses over energiebesparing en gedrag(sverandering)
Energiebesparing in huishoudens kan een effect zijn van efficiëntere apparatuur of van het zuiniger gebruiken van die apparatuur. Dit laatste is een vorm van energiebesparing door gedragsverandering. Gedragsverandering is niet eenvoudig.
Ons gedrag wordt verregaand bepaald door gewoonte: 90% van wat we doen, is gewoontegedrag, slechts 10% van wat wij doen is beredeneerd kort voordat we die handeling verrichten. Meestal moeten we eerst worden geconfronteerd met ons gedrag en moeten er gedragsalternatieven worden aangedragen vóórdat wij ons gedrag veranderen. Voor energiegedrag geldt dus dat inzicht moet worden geboden in ons gedrag en het effect daarvan op het energieverbruik.
In veel typen gedrag, ook bij energiebesparing, zijn twee factoren van belang. De eerste is ‘willen’, in de vorm van een attitude, een houding over gedrag en het effect daarvan. In dit geval: iemand moet een schoon milieu of zuinig leven belangrijk vinden om energie te willen besparen. Bovendien moet deze waarde hoger gewaardeerd worden dan concurrerende waarden, zoals een comfortabel leven. Bovendien moet men erop vertrouwen dat energiebesparing daadwerkelijk leidt tot het gewaardeerde doel.
De tweede factor is het gevoel van controle over het gedrag, het vertrouwen in het eigen handelen: iemand moet zich in staat voelen energie te besparen, bijvoorbeeld op basis van kennis over het energieverbruik van een waslijn versus een wasdroger…
Een voorbeeld: als ik trek heb in chocolade en voor het chocoladeschap in de supermarkt sta, zullen de attitude en het gevoel van controle bepalen of ik kies voor de goedkoopste of voor een iets duurdere fair trade variant. Als ik negatief tegenover kinderarbeid sta (attitude) en ik zeker weet dat ik met mijn keuze voor een fair trade product bijdraag aan het uitroeien van kinderarbeid (controle), dan kies ik voor de fair trade chocoladereep. Als ik echter zuinigheid hoger waardeer dan het uitroeien van kinderarbeid, of als ik er niet op vertrouw dat ik met mijn keuze help bij het uitroeien van kinderarbeid, dan kies ik waarschijnlijk voor de goedkopere chocoladereep.
Deze beide gedragsfactoren verklaren ook verregaand de werking van feedback bij de slimme energiemeter. Zo blijkt uit het Energiebesparingonderzoek dat het aflezen van de slimme meter die alleen data, zoals meterstanden, weergeeft, een veel kleiner effect op de energieconsumptie heeft dan uitgebreidere feedback. Net zo min als het kopen van sportschoenen automatisch tot goede sportprestaties leidt, leiden data over het energieverbruik alleen niet automatisch tot energiebesparing. Hiervoor is de wil nodig om energie te besparen (attitude), is kennis nodig over gedragsalternatieven, en is kennis nodig over de effecten van een verandering van (gewoonte)gedrag op de energiebesparing (controle).
Het onderzoek wijst er bovendien op dat kennis over het energieverbruik in de vorm van meterstanden en feedback geen effect heeft op de attitude: deze kennis versterkt dus niet de wil om energie te besparen of het belang dat men daaraan hecht. Om het gevoel van controle te vergroten moet de feedback aan een aantal eisen voldoen. Zo moet die feedback kort na een handeling worden verstrekt, zodat mensen in staat zijn de verbruiksinformatie te relateren aan hun gedrag. Bovendien moet de feedback aan een standaard of een doel worden gerelateerd: een bespaardoel, of het energieverbruik in een maand vergeleken met een andere maand, of met een jaar geleden. Een dergelijk referentiepunt leert verbruikers waar besparingen te halen zijn (inzicht) en dát hun veranderde gedrag ook effect heeft (controle). Als het energieverbruik in november 2009 lager blijkt dan in een vergelijkbare maand in 2008, en deze verlaging komt bovendien in de buurt van de 5% besparing die iemand nastreeft, dan geeft de feedback aan dat de gedragsverandering zinvol is.
In het onderzoek is gewerkt met directe, hoogfrequente feedback. De display maakte het mogelijk om het relatieve effect van apparatuur, bijvoorbeeld van een waterkoker te vergelijken. Meerdere participanten bleken water te koken voor thee, vervolgens te vergeten dat de waterkoker was aangezet, waardoor het water weer afkoelde, waarna de waterkoker opnieuw werd aangezet. Door de informatie die zij continu via de display konden raadplegen, leerden de participanten dat dit een extra vier minuten maal 1300 watt vroeg, en zagen zij welk effect dit gedrag had op het energieverbruik. Het gevolg was dat bijna alle participanten die feedback ontvingen, tegen ongeveer een kwart van hen die alleen meterstanden noteerden, stelden dat zij meer inzicht in hun energieverbruik hadden gekregen. Het overgrote deel van de participanten die feedback ontvingen zei na afloop dat zij meer energie hadden bespaard dan dat zij voor mogelijk hadden gehouden bij de start van het onderzoek. De feedback had hen inzicht in en controle over hun energieverbruik gegeven: inzicht in waar de energie aan opging en, belangrijker nog, inzicht in welke rol gewoontegedrag in dit energieverbruik speelt, en welk alternatief gedrag welke grootteorde aan besparingen opleverde.
De feedback moet dus gerelateerd zijn aan een standaard, en moet frequent zijn. Bovendien moet de feedback begrijpelijk zijn. De begrijpelijkheid kan worden vergroot door aan te sluiten bij de betekenis die eindverbruikers aan deze informatie verbinden. Zo zullen sommigen energie besparen relateren aan het besparen op kosten. Hier kan op worden ingespeeld door in de feedback een directe relatie tussen het verbruik en de energierekening te leggen.
Ten slotte, evident, en toch belangrijk: de feedback moet de aandacht trekken, sterker: het moet noodzakelijk zijn die informatie tot zich te nemen. Feedback die via een website wordt verstrekt - en naar verwachting is dit de manier waarop de feedback, gevraagd in de genoemde Europese richtlijn, in Nederland verstrekt zal worden -, zal weinig effect sorteren. Ook een energiemeter of een display verstopt achter de deur van de meterkast trekt niet de aandacht.
Kortom, alleen een nieuwe meter, zonder de informatie die aan bovengenoemde eisen voldoet, draagt voor het gros van de mensen niet bij aan het inzicht in en de controle over hun energieverbruik. In de controlegroep, die alleen een slimme meter ter beschikking had, werd dan ook aanzienlijk minder energie bespaard dan in de groep met een meter en een feedbackdisplay. De controlegroep bespaarde gemiddeld 3% op stroom en 2% op gas tegen een gemiddelde besparing van 9% op het stroomverbruik en 14% op het gasverbruik in de feedbackgroep. Bovendien waren meer huishoudens in de feedbackgroep succesvol in het besparen van energie dan huishoudens in de controle groep: 81% versus 47% voor stroom en 100% versus 65% voor gas.
Conclusies en aanbevelingen
Feedback, mits onder de juiste voorwaarden, kan leiden tot gedragsverandering en tot aanzienlijke energiebesparing. Dat komt omdat die feedback leidt tot beter inzicht in en tot meer controle over de effecten van het eigen gedrag. De manier waarop de richtlijn in Nederland naar verwachting wordt omgezet in wetgeving is, beoordeeld op basis van de eisen die aan effectieve feedback gesteld worden, daarvoor niét adequaat.
Dit roept de vraag op of de slimme meter en de richtlijn daadwerkelijk een positief effect op het huishoudelijke energieverbruik zullen of kunnen hebben. Dat energiebesparingseffect is nodig, voor het duurzaam beheer van hulpbronnen en vanwege het klimaat, én voor de vereffening van de kosten voor de installatie van de meter. Dat noodzakelijke energiebesparingseffect kan evenwel niet worden bereikt door alleen een slimme meter. Cruciaal is dat er ook feedback wordt gegeven. Anders gezegd:
- Vertrouw er niet op dat de meter het vanzelf doet. Zet de data uit die meter om in feedback die voldoet aan de eisen van aandacht, frequentie, begrijpelijkheid en de relatie met een standaard.
- Zet in op het verstrekken van gedragsalternatieven en op het versterken van de attitude van die mensen die (nog) niet positief tegenover energiebesparing staan. Belangrijk hierbij is mensen over hun schroom van het eens proberen van het besparen heen te helpen, en ze iets in handen te geven om mee te beginnen. Dat spreekt de gedachte tegen dat energiebesparing altijd leidt tot een daling in comfort.
Als het gaat om de implementatie van de Europese richtlijn:
- Koppel de feedback zoals hier voorgesteld aan de factuur. Zo worden mensen met elke factuur herinnerd aan het bestaan van de feedback en indien de factuur per post wordt verstuurd is de toegankelijkheid van feedback niet gerelateerd aan (elektronische) hulpmiddelen.
- Factureer minimaal eens per maand, gebaseerd op daadwerkelijke consumptie, zodat er een redelijke frequentie in de feedback is en de feedback op het verbruik direct aan de factuur kan worden gerelateerd.
Zoals sportschoenen niet vanzelf een wereldrecord opleveren, zo veranderen slimme energiemeters niet automatisch ons energiegedrag. Ons gedrag is weliswaar complex en eigenwijs, maar goede informatie, dat is informatie die wij begrijpen en waarderen, stelt ons in staat om ons gedrag te veranderen.
Geraadpleegde bronnen
- Abrahamse, W. (2007), Energy Conservation Through Behavioral Change: Examining the Effectiveness of a Tailor-made Approach, dissertatie: Universiteit Groningen
- Bartels, G., Nelissen, W. & Ruelle, H. (1998), De transactionele overheid - Communicatie als instrument: zes thema’s in de overheidsvoorlichting, Deventer: Kluwer Bedrijfsinformatie
- Directive 2006/32/EC: European Parliament & The Council (2006), Directive 2006/32/EC on energy end-use efficiency and energy services and repealing Council Directive 93/76/EEC, Official Journal of the European Union
- Memorie van Toelichting 31320, nr. 3 (2007): Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31320, nr. 3: Regels omtrent energie-efficiënte (Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiënte- memorie van toelichting)
- Wilhite, H. & Ling R. (1995), Measured energy savings from a more informative energy bill, Energy and buildings, 22, pp. 145-155
** UCPartners is een Nederlands adviesbureau, gespecialiseerd in energiemarktvraagstukken. Voor overheden en energiebedrijven verricht UCPartners opdrachten betreffende regelgeving, marktordening, strategie, operatie, business- en ICT-architectuur. Aan de vraagzijde van de markt gaat het om technisch, economisch en sociaalwetenschappelijk onderzoek naar energieverbruik en energiebesparing, zowel bij huishoudens als bij zakelijke verbruikers.
*** Dit onderzoek is in de winter van 2008/2009 uitgevoerd door UCPartners in samenwerking met de energieleverancier Nuon, het Nederlandse overheidsorgaan SenterNovem (nu Agentschap NL), de Technische Universiteit Eindhoven en Home Automation Europe, een Nederlands bedrijf dat gespecialiseerd is in home-management systemen.
Voor achtergrondinformatie bij dit onderzoek: www.ucpartners.eu/paperandarticles
**** Dit onderzoek kwam mede tot stand als afstudeeronderzoek van de masteropleiding Milieu-maatschappijwetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen, Nederland o.l.v. prof. dr. Pieter Leroy.
***** Dit artikel is geschreven kort voordat in Nederland aanpassingen in de wetsvoorstellen (novelles) Marktmodel en Energie-efficientie zijn uitgebracht. Met de novelles zijn er aanvullende aanbevelingen voor het (directer) verstrekken van feedback gedaan. Meer info op de site van de Nederlandse Rijksoverheid, en met bijhorende achtergronddocumenten.









