ARGUS informeert en inspireert voor een duurzame, milieuvriendelijke samenleving.
De nieuwssite www.argusactueel.be brengt nieuws en actualiteit over milieu, natuur en duurzame ontwikkeling.
Maak kennis met alle andere projecten van ARGUS op www.argusmilieu.be.
12 November 2010 - Het grote GGO-debat: Deel 2 - Argumenten pro GGO's
In deel 1 werden de argumenten contra GGO's besproken, in dit tweede deel focussen we op de argumentatie pro GGO's.
Inleiding
De Europese landen zijn verdeeld over de teelt van genetisch gemanipuleerde (of gemodificeerde) organismen (GGO's, ook bekend onder hun Engelse afkorting: GMO's). Sommige landen, zoals Frankrijk, Duitsland, Polen, Oostenrijk, Hongarije, Italië en Griekenland zijn (gedeeltelijk) GGO-vrij.
Andere landen, waaronder België, Nederland, Groot-Brittanië, Ierland, Denemarken, Zweden, Finland, Spanje en Portugal laten GGO-teelt toe. In de Verenigde Staten zijn GGO's vrij algemeen aanvaard. Voor de Europese consument is het zo ver nog niet, maar in de Europese veevoedersector is het gebruik van GGO's inmiddels de gewoonste zaak van de wereld.
Consumenten blijven niet onberoerd door het gebruik van GGO's, er leven veel al dan niet terechte vragen, angsten en vooroordelen. Nog te vaak eindigen discussies tussen voor- en tegenstanders in een welles-nietes-discussie. ARGUS vond het tijd om de gangbare pro's en contra's van GGO's op een rij te zetten en ze te laten becommentariëren door experts.
René Custers, een moleculair bioloog verbonden aan het VIB (Vlaams Instituut voor Biotechnologie) pleit genuanceerd voor GGO's. Bio-ingenieur Geert Gommers is stafmedewerker voeding bij VELT (Vereniging voor Ecologisch Leven en Tuinieren) en een kritische tegenstander van GGO's.
Wat zijn GGO's?
Het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) definieert genetisch gemodificeerde organismen als volgt: 'organismen (en micro-organismen) waarvan het genetisch materiaal (DNA) zodanig veranderd wordt dat dit niet bij vermeerdering of bij natuurlijke recombinatie gebeurt. Deze techniek, vaak “moderne biotechnologie” of “genetische technologie” genoemd, soms ook “recombinant DNA-technologie” of “genetische engineering” genoemd, maakt het mogelijk om geselecteerde genen van een organisme naar een ander, of tussen verschillende soorten, over te brengen. [...] De meest courante soorten GGO’s zijn de genetisch gemodificeerde plantensoorten, waaronder variëteiten van maïs, soja, koolzaad en katoen. Deze variëteiten werden voornamelijk genetisch gemodificeerd om tegen sommige insecten bestand te zijn en een zekere tolerantie voor specifieke onkruidverdelgers te bieden.'
Argumenten die voor GGO's worden gebruikt
Dank zij GGO's moeten er minder pesticiden en andere chemische bestrijdingsmiddelen worden gebruikt.
René Custers: Ja en neen. Het gros van de GGO-gewassen is momenteel herbicidetolerant en bestand tegen Roundup en gelijkaardige middelen. Dat heeft geleid tot een grote verschuiving in het gebruik van herbiciden. Misschien in eerste instantie tot een daling, maar die is inmiddels verdwenen. Er zijn aanwijzingen dat men ondertussen meer Roundup spuit dan bij de introductie, een hogere dosering om resistentie te vermijden. Milieu-organisaties maken zich daar zorgen over en hebben het over mogelijke schadelijke gevolgen van Roundup. Het kiezen voor een monocultuur van Roundup is volgens mij geen slimme toepassing van GGO-gewassen. Dat creëert altijd resistentieproblemen op de lange termijn. Er worden nu ook weer combinaties van middelen gebruikt. In dit verband stond het boerenverstand blijkbaar op een laag pitje. Het zou beter zijn om de biodiversiteit te bevorderen door niet jaar in jaar hetzelfde herbicide te gebruiken. Daar zou ook het landbouwbeleid toe kunnen bijdragen.
Op het gebied van insectresisitentie van katoen is er wel grote vooruitgang geboekt. In de katoenteelt wordt momenteel veel minder gespoten en is zowel de milieu-impact als het risico voor landbouwers geslonken. Bovendien is de opbrengst gestegen: India is in vijf jaar geëvolueerd van importeur naar exporteur van katoen. Een ander succesverhaal is dat van de papaja op Hawaï. Daarvan is nu 80% virusresistent GGO, en de overige 20% conventioneel. En de insectresistente BT-maïs heeft geen last meer van de stengelboorder, een voordien moeilijk te bestrijden plaag. Dat heeft niet zozeer een effect op de opbrengst, maar veel meer nog op de oogstzekerheid.
Geert Gommers: Dat is een argument dat in de eerste jaren wel zal kloppen, maar na tien jaar niet meer. Zoals de amarantplant heeft aangetoond, neemt de resistentie daarna overhand toe. Op zich is dat een natuurlijke evolutie, en dan moet er steeds meer en frequenter worden gesproeid met onkruidverdelger. Tot het op een moment niet meer werkt en je met akkers vol amarant zit. Een bewijs dat bedrijven als Monsanto liever louter vanuit een commerciële logica om de vijftien jaar een nieuw product op de markt brengen dan dat ze bezig zouden zijn met de negatieve impact ervan op de natuur, de landbouw en de maatschappij.
De mens is altijd al met veredeling van planten en dieren bezig geweest, GGO's zijn de logische volgende stap.
René Custers: GGO's ontwikkelen is niet hetzelfde als verdeling, maar het speelt zich wel in dezelfde context af: de gewassen zo kneden dat ze de dingen doen die wij willen dat ze doen, zij het in dit geval met behulp van een ander soort technologie. Er is ook een evolutie in de gentechnologie waar te nemen, omdat men steeds meer met soorteigen genen gaat werken. Dan wordt het verschil met conventionele veredeling bijzonder klein. In de conventionele veredeling zijn er ook evoluties aan de gang. Beide technieken groeien naar elkaar toe.
Voor sommige mensen is de keuze tussen GGO en GGO-vrij een ideologische discussie. De natuur en biodiversiteit zijn belangrijke elementen in de manier waarop zij vinden dat landbouw moet worden bedreven. Daarbij vergeten ze dat de gewassen waar de landbouw mee werkt 6.000 à 10.000 jaar ontwikkeling achter de rug hebben en absoluut niet meer zijn wat in de natuur voorhanden was. Het startmateriaal waarmee ze werken is dus niet "natuurlijk."
Men zegt wel eens: genetische modificatie veroorzaakt potentieel mutaties. In se is dat niet heel anders dan wat er van nature in planten voorkomt. Maïs zit bijvoorbeeld vol zogenaamde transposons, kleine stukjes DNA die over in het planten-DNA van de ene naar de andere plek springen. Bij conventionele planten kunnen spontane herrangschikkingen van het genoom plaatshebben. Het verschil met genetische modificatie is dat het niet het gevolg is van een doelbewuste actie.
Geert Gommers: GGO's overschrijden een soortenbarrière die in de natuur nooit overschreden zou worden. Dat is in hun definitie ingebakken. Het is niet zomaar een logische volgende stap in de veredeling, het is een stap voorbij veredeling. Voor VELT is het een stap te ver, omdat we altijd uitgaan van de draagkracht van een natuurlijk systeem. Wij zijn voorstander van stappen vooruit in de veredeling, maar altijd uitgaande van veredeling binnen de soort. Ook gangbare veredeling kan focussen op een bepaalde eigenschap, zoals bij hybriden het geval is. Mutaties zijn er ook in de natuur, maar de mutaties die GGO's veroorzaken zouden nooit spontaan in de natuur voorkomen.

GGO's zijn de enige zekere manier om de groeiende wereldbevolking te voeden.
René Custers: Dat is te sterk uitgedrukt. Er ligt een heel grote uitdaging voor ons. De FAO stelt dat we tegen 2050 70% meer voedsel zullen moeten produceren. Aangezien de landbouwoppervlakte beperkt is, moeten we focussen op rendement per oppervlakte. Water zal een probleem worden. We moeten op verschillende technieken inzetten. Genetische modificatie staat eigenlijk nog in de kinderschoenen, al is het nu al goed voor 9% van het wereldwijde landbouwareaal. Er wordt gewerkt aan droogtetolerantie. Als je kijkt wat er in Gent mogelijk blijkt bij CropDesign, dat is toch wel spectaculair. Zij hebben rijstplanten gemaakt die in veldproeven 40% meeropbrengst geven. Het verhogen van opbrengsten is belangrijk, maar het moet hand in hand gaan met het in stand houden van de bodemvruchtbaarheid op de lange termijn. Het is een verhaal waarin je met vele aspecten rekening moet houden.
Verzet tegen GGO's is vaak eigenlijk een vorm van verzet tegen grootschalige geïndustrialiseerde landbouw, gekenmerkt door monocultuur. Tegenstanders verkiezen kleinschalige, gediversifieerde lokaal verankerde landbouw. Dat is wellicht voor een stuk te realiseren, maar we zullen altijd nood blijven hebben aan grootschalige teelt en dito handel in ‘big commodities’, veevoer etcetera. Ik ben zelf lid van een biologische zelfoogstboerderij en ik vind dat heel mooi, maar je kan er niet heel Brussel mee van voedsel voorzien. Je moet je realiseren dat sinds kort meer dan 50% van de wereldbevolking in steden woont.
Geert Gommers: GGO's zijn er tot nog toe niet in geslaagd om meer mensen van de honger te redden. We stellen ons overigens heel wat vragen bij die meeropbrengst. En trouwens: het is niet omdat je een bepaalde meeropbrengst kunt realiseren, dat mensen ook automatisch toegang zullen hebben tot dat voedsel. Voedsel is macht. Je kan de wereldbevolking perfect voeden met een vorm van biologische landbouw zonder externe inputs, maar dan moet je wel iets doen aan het vleesverbruik. Die discussie kunnen we niet uit de weg gaan. De maïs die in Vlaanderen massaal gekweekt wordt, wordt voor 90% als veevoer gebruikt. Het zou veel beter zijn om dat areaal voornamelijk te gebruiken om producten te kweken die rechtstreeks voor menselijke consumptie zijn bedoeld. Ik vind niet dat iedereen vegetariër moet worden, maar ik pleit er wel voor om de ongezonde en overmatige vleesconsumptie terug te dringen, die bovendien voor een verstoring van de landbouwproductie zorgt. De belangrijkste GGO-teelten zijn soja, maïs en koolzaad – grotendeels voor veevoer dus. We moeten de omvang van de vleesproductie en -consumptie in vraag durven stellen.
In bio moet je geduld durven te hebben. Aanvankelijk ligt de opbrengst van biolandbouw lager, maar onderzoek wijst uit dat de opbrengst jaar na jaar stijgt, omdat de bodemvruchtbaarheid toeneemt. Zo zou je het moeten kunnen aanpakken op wereldschaal. Het bovenstaande argument wordt steeds minder gebruikt door de voorstanders van GGO's, die moeten toegeven dat de opbrengst na een aantal jaar soms afneemt, onder andere omdat ze te weinig rekening houden met bodemvruchtbaarheid. Nochtans is de bodem de grond van de zaak. Een langetermijnperspectief is broodnodig inzake voedselproductie. We zullen heus geen honger lijden bij een over decennia gespreide overgang naar wereldwijde biolandbouw.
GGO's worden uitgebreid getest en zijn uiterst veilig voor mens en dier.
René Custers: GGO's behoren tot de meest gecontroleerde voedingsproducten die op de markt komen. De Europese wetgeving is wat dat betreft het strengst. Het grote verschil in mening tussen wetenschappers enerzijds en milieu-organisaties anderzijds komt hier op neer: wat is een aanvaardbaar risico waartoe we ons willen beperken? De milieu-organisaties eisen dat GGO's nog veiliger zijn dan conventionele producten, terwijl wetenschappers vinden dat het basisniveau van zekerheid hetzelfde moet zijn.
Geert Gommers: Er zijn toch een aantal indicaties dat GGO's mogelijk niet zo gezond zijn, en er kunnen ook kanttekeningen geplaatst worden bij de onafhankelijkheid van het EFSA (European Food Safety Authority). Ik vind wel degelijk dat we bij GGO's extra voorzichtig moeten zijn. Je ontwikkelt een nieuw type landbouwgewas dat we nog maar hoogstens vijftien jaar kennen en waarvan je niet weet hoe het verder zal evolueren. Dan moet je mijns inziens strenger zijn dan voor bestaande en soms al honderden jaren bekende landbouwproducten, want de factor onzekerheid is te groot.
GGO's en GGO-sporen zijn toch al alomtegenwoordig, waarom ze nog verbieden?
René Custers: Er zijn nog maar een paar, weliswaar grootschalige, gewassen op de markt: maïs, soja en koolzaad. Daarvan kunnen sporen in onze voeding zitten tot op een bepaald niveau. Het gros van wat we eten, is GGO-vrij. Hoe meer verwerkte voeding je eet als consument, hoe meer kans je hebt om sporen van GGO's binnen te krijgen. Al doen in Europa de levensmiddelenfabrikanten er alles aan om GGO’s te vermijden. In de Verenigde Staten worden GGO's al vele jaren door miljoenen mensen zonder problemen geconsumeerd. Mochten er onverhoopt schadelijke effecten in GGO's zijn geslopen, dan zouden we ze nu wel kennen.
Geert Gommers: Ik ben het niet eens met wat René zegt: je mag gezondheid niet beperken tot acute effecten van producten. Het gecombineerde effect van kleine hoeveelheden wordt niet gecoverd door wetgeving of normen. De industrie gaat er prat op dat de schadelijkheid niet kan worden aangetoond, maar de grondige monitoring is veel te complex en gebeurt ook niet. Net daarom hanteren we het voorzorgsprincipe.
Het feit dat er GGO-sporen in onze niet-GGO-voeding terug te vinden zijn, is heel jammer en het gevolg van een lakse overheid en een industrie die laat betijen om de maatschappij voor een voldongen feit te stellen. Ze slagen er niet in om de GGO's op hun eigen veld te houden. Dat is de slechtst denkbare reclame voor de GGO-sector. Als consumenten zich daarvan bewust worden, zullen ze zich massaal afkeren van die producten. De keuzevrijheid van de consumenten moet blijven bestaan. Ik denk dat op lange termijn de bewuste consument het pleit zal winnen.










