ARGUS informeert en inspireert voor een duurzame, milieuvriendelijke samenleving.
De nieuwssite www.argusactueel.be brengt nieuws en actualiteit over milieu, natuur en duurzame ontwikkeling.
Maak kennis met alle andere projecten van ARGUS op www.argusmilieu.be.
24 Maart 2009 - Landschappen, ecosysteemdiensten en menselijk welzijn
Marion Potschin en Roy Haines-Young van het Centre for Environmental Management van de Universiteit van Nottingham gaan vanuit een landschapsbenadering dieper in op ecosysteemdiensten en hun relatie tot menselijk welzijn.
"Al te lang werd de discussie over de goederen en diensten uit ecosystemen uitsluitend gevoerd onder ecologen en economen. Dat debat moet dringend worden opengetrokken. Ook menswetenschappers, sociologen, antropologen, beleidswetenschappers,… hebben een belangrijk deel van het verhaal te vertellen." Dat zei Dr. Marion Potschin tijdens de lezing ‘Water in de wereld’ op 18 maart 2009 in het KBC-auditorium te Brussel. Potschin is verbonden aan het Centre for Environmental Management van de Universiteit van Nottingham. Samen met collega-professor Roy Haines-Young ging ze, vertrekkend van een landschapsbenadering, dieper in op ecosysteemdiensten (ESD) en hun relatie tot menselijk welzijn.
Duurzame landschappen
Wat zijn duurzame landschappen? Hebben ze een specifiek uitzicht? Zijn ze te herkennen aan specifieke structuur- of andere kenmerken? Of aan een bepaalde manier van functioneren? Hebben duurzame landschappen een specifieke dynamiek? Wat maakt ze precies duurzaam?
"Allemaal geen gemakkelijke vragen," erkent Marion Potschin, die al jarenlang rond het concept duurzame landschappen werkt. Daarom hanteert zij een benadering in termen van outputs die worden gegenereerd door landschappen en die bijdragen tot het welzijn van mensen. Hierdoor is er een sterke band met het relatief nieuwe concept ecosysteemdiensten. Ecosysteemdiensten worden immers gedefinieerd als de outputs van ecosystemen die rechtstreeks bijdragen aan het menselijk welzijn. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen bevoorradings- (bv. landbouwgewassen, drinkwater), regulerende (bv. waterhuishouding), culturele (bv. toerisme) en ondersteunende diensten (bv. nitrificatie) (zie ook: lezing Rudolf de Groot).
"Deze benadering is zeer antropocentrisch van aard," geeft Potschin toe, "Uiteraard hebben biodiversiteit, planten, dieren… ook een intrinsieke waarde. Maar in een ecosysteemdienstenbenadering is het essentieel dat je uitgaat van een begunstigde. Daar wordt de intrinsieke waarde enigszins buiten beschouwing gelaten."
Het Millennium Ecosystem Assessment: ecosystemen
Het concept van de ecosysteemdiensten is een vrij nieuw paradigma en er wordt nog veel gediscussieerd over de concrete invulling ervan. De meest bekende visie op ecosysteemdiensten is die zoals verwoord in het Millennium Ecosystem Assessment (MEA, zie lezing Rudolf de Groot). In het kader van het MEA werd door zo’n 1300 wetenschappers fundamenteel belangrijk werk verricht wat onder meer leidde tot publicaties in 2003 en 2005. "Het MEA is van onschatbaar belang, maar heeft ook kritiek en discussie losgemaakt," betoogt Potschin, bijvoorbeeld over de rol die biodiversiteit speelt bij het leveren van goederen en diensten uit de natuur. "Is biodiversiteit één van de diensten? Of is het eerder de basisvereiste voor alles? Wat is de rol van ondersteunende ecosystemen? Deze spelen een wat ondergeschikte rol, maar zijn ze daarom misbaar? Over deze en tal van andere vragen woedt de discussie momenteel volop. Maar dat is een goede zaak. Het wordt tijd dat we daarin klaarheid gaan zien,” vindt Potschin. “Een belangrijk punt van kritiek bij het MEA is bijvoorbeeld dat de focus tot nog toe te veel lag op de beschrijving van ecosystemen en de diensten die ze leveren, mogelijk ook over hoeveel ze waard zijn, terwijl het verband met het menselijk welzijn veel minder aandacht krijgt.”

Figuur 1: De relatie tussen ecoysteemdiensten en het menselijk welzijn
Ecosysteemdiensten
Centraal uitgangspunt van het MEA waren niet de ecosysteemdiensten, maar de ecosystemen zelf. Een aantal onderzoekers zetten echter wel ecosysteemdiensten centraal. Onder hen bijvoorbeeld Kerry Turner en Gretchen Daily.

Figuur 2: Het concept van Turner en Daily
“Zij stelden in 2008 een model voor waarmee ecosysteemdiensten in het beleidsproces kunnen worden geïntegreerd,” licht Potschin toe, “Ze kwamen daarbij tot een aantal belangrijke conclusies. Zo toonden ze een gebrek aan informatie aan op het niveau van de beslissingnemers over hoe mensen van specifieke diensten genieten. Ook is er nood aan beter geïntegreerde manieren om ecosysteemdiensten in kaart te brengen en de waarde ervan te bepalen. Daarnaast pleitten ze voor een betere classificatie van ecosysteemdiensten waarbij zorgvuldig onderscheid wordt gemaakt tussen zaken die mensen rechtstreeks en onrechtstreeks voordeel opleveren. Turner en Daily beschreven dus een holistisch concept waarbij ecosystemen worden geïdentificeerd, waarbij waarden worden bepaald en waarbij wordt beschreven hoe mensen voordeel hebben van deze diensten".
Ecosysteemdiensten en het menselijk welzijn
De internationale onderzoeksgemeenschap bouwt steeds meer kennis en inzicht op over hoe ecosysteemdiensten functioneren en hoe je er een waarde kan op plakken. Echter, de kennis over hoe dit in relatie staat tot menselijk welzijn hinkt achterop. Met name over de relatie tussen ecosysteemdiensten en de rol die ze wereldwijd kunnen spelen in armoedebestrijding is nog zeer weinig expertise opgebouwd. “Turner en Daily tonen aan dat alles veel minder eenvoudig is dan het lijkt en dat de discussie niet uitsluitend mag worden gedomineerd door economen en ecologen, maar dat we ook de stem van sociale wetenschappers, geografen, antropologen, politici,… moeten horen,” besluit Potschin.
Een cascademodel
De vele verschillende benaderingen, visies en opinies omtrent ecosysteemdiensten verdiepen de discussie, maar zorgen tegelijk voor heel wat onduidelijkheid. Om hier klaarheid in te scheppen brachten Roy Haines-Young en Marion Potschin – in opdracht van de Britse overheid - één en ander in kaart. "Er was in de literatuur inderdaad nogal wat verwarring, bijvoorbeeld over terminologie. ‘Diensten’, ‘functies’, ‘voordelen’,… worden vaak als termen door elkaar gebruikt. Dat helpt de discussie niet bepaald vooruit." Het onderzoek van Haines-Young en Marion Potschin mondde uit in het zogenaamde ecosysteemdiensten-cascade.

Figuur 3: Het cascademodel voor ecosysteemdiensten
Potschin doceert: "Je vertrekt van bestaande biofysische structuren of processen in het ecosysteem. Die verklaren de functies die dit ecosysteem vervult. Alleen met een functie kan er een dienst ontstaan, maar hou daarbij in gedachten dat diensten alleen maar als dusdanig kunnen worden beschouwd als er baten voor de mens bij komen kijken." Een belangrijk aandachtspunt hierbij is het vermijden van zgn. dubbeltellingen. Potschin bespreekt dit aan de hand van een voorbeeld. "Een zoetwaterecosysteem levert de mens zuiver drinkwater. Maar wordt dit systeem goed beheerd en het water wordt schoner, dan kan er ook meer vis in komen en kan ook de recreatieve en toeristische functie van het ecosysteem vergroten. De verleiding is dan groot om ook de waarden van die extra ecosysteemdiensten gewoon bij die van het leveren van schoon drinkwater op te tellen. Maar dat zou te simpel zijn.”
In hun cascademodel maken Haines-Young en Potschin bovendien onderscheid tussen intermediaire en finale producten en hameren ze sterk op een duidelijke afbakening van datgene waar je waarden op wil gaan plakken.
Terug naar de landschappen
De duurzaamheid van landschappen staat dus in relatie tot de outputs die ze leveren ten gunste van de mens. Lastig daarbij is dat een landschap echter nooit hetzelfde blijft. Potschin: "Duurzaamheid betekent dat, ondanks die veranderingen, de output van deze geleverde diensten blijft bestaan. "Duurzaamheid zou dus evenveel of meer te maken kunnen hebben met hoe wij zelf veranderen, dan hoe onze omgeving en de toestand waarin wij verkeren verandert."
Potschin en Haines-Young werken sinds 2003 aan een model dat ruimte laat voor verandering in de tijd (bv. meer of minder oppompen van grondwater), waarmee tegelijk verschillende scenario’s kunnen worden beoordeeld op hun duurzaamheid. Het begrip duurzaamheidskeuzeruimte staat daarin centraal.

Figuur 4: Duurzaamheidskeuzeruimte
Die ruimte bestaat in feite uit een set opties die de landgebruiksfuncties min of meer binnen acceptabele limieten houdt. Belangrijk hierbij: die grenswaarden worden niet uitsluitend ecologisch bepaald, maar ook door socio-economische en andere factoren. De hoeveelheid water die kan worden onttrokken, bijvoorbeeld, is ecologisch gelimiteerd, maar er zijn ook grenzen aan de mogelijkheid en/of bereidheid van mensen om voor zuiver drinkwater te betalen, de mogelijkheid om hun watergebruik te verminderen door het
gedrag te (doen) veranderen enz. Het model van Potschin en Haines-Young laat toe om, ook al is er geen één optimale weg, in een veranderende omgeving en maatschappij, keuzes te maken die binnen duurzaamheidslimieten vallen. Dat vraagt echter een voortdurende en grondige monitoring van het landschap en de ecosysteemdiensten die hieruit voortvloeien, zowel aan de aanbod-, als aan de vraagzijde.
Potschin stelt met voldoening vast dat hun model, dat in 2006 werd gepubliceerd, meer en meer in de discussie over ecosysteemdiensten wordt opgepikt. "In het kader van het RUBICODE-project, bijvoorbeeld, brachten Kontogianni en collega’s in 2008 de ecologische crisis, de sociale crisis, de socio-economische limieten en ecologische drempels samen om te komen tot zogenaamde duurzaamheidsvensters en -corridors".

Figuur 5: Duurzaamheidsdrempels, -limieten en corridors
Roy Haines-Young: aan de slag met ecosysteemdiensten
Roy Haines-Young vervolgde het verhaal van Marion Potschin met een boeiend betoog over hoe je met ecosysteemdiensten in de praktijk aan de slag kan. Hij onderscheidde daarbij drie mogelijke perspectieven: habitat, systeem of plaats.
Habitats?
In opdracht van DEFRA, de Britse milieu-overheid, onderzochten Haines-Young en zijn team via een uitgebreid literatuuronderzoek en gesprekken met specialisten en betrokken partijen, hoe de toestand en trends van de diensten geleverd door de grote Engelse landecosystemen best in kaart kunnen worden gebracht.

Figuur 6: De habitatbenadering in schema gebracht
De diensten, zoals opgelijst in het MEA, werden hierbij gelinkt aan de verschillende types van habitats zoals die zijn opgenomen in het Britse biodiversiteitsactieplan en vervolgens werd naar de verschillende vormen van verstoring gekeken die deze habitats ondergaan. Belangrijke vaststellingen waren dat verschillende habitats geassocieerd kunnen worden met verschillende ecosysteemdiensten en dat er dus sprake is van multifunctionaliteit. Ook kwam duidelijk naar voor dat habitats voor bepaalde voordelen zorgen, maar dat dit in bepaalde gevallen ook negatieve aspecten en verantwoordelijkheden meespelen. Roy Haines-Young: "In bepaalde habitattypes komt bijvoorbeeld meer dan elders de ziekte van lyme voor, die wordt verspreid via teken. Dat bracht ons op het idee om zulke voor- en nadelen in een soort ecosysteemboekhouding onder te brengen."
Verder bleken de meeste rechtstreekse drijvende krachten achter verandering gerelateerd aan het beheer van de habitats. Om een gebied in een bepaalde toestand te behouden zijn beheerswerken nodig. De kostprijs van dit beheer moet in het totale plaatje worden opgenomen. Het vereist ook een voldoende grote betalingsbereidheid om deze kosten op zich te nemen. Eens te meer een reden om de idee van de ecosysteemboekhouding verder te onderzoeken, vindt Haines-Young.
Het onderzoek bracht echter ook een aantal belangrijke hinderpalen aan het licht. Zo bleek er heel weinig informatie voorhanden om de behoudstoestand van deze habitats in verband te brengen met hun vermogen om ecosysteemdiensten te leveren. "Er is behoorlijk wat literatuur over de gewenste toestand inzake het behoud van ecosystemen," weet Haines-Young, "maar hoe vertaalt zich dat in termen van de outputs van ecosysteemdiensten? In feite hebben we iets nodig als een ‘gewenste toestand als leverancier van ecosysteemdiensten, (favourable delivery status), die de gewenste outputs beschrijft per habitattype.”
Ook blijkt het nog steeds bijzonder moeilijk om afzonderlijke ecosysteemdiensten te beoordelen. We weten dat verschillende habitattypes vaak aan verschillende ecosysteemdiensten bijdragen, maar hoe gebeurt die interactie? Welke weging is hier van tel? Zijn sommige belangrijker dan andere? Allemaal vragen die nog op een antwoord wachten.
Haines-Young vat samen: "Het blijkt dus zeer moeilijk, zo niet onmogelijk, om vanuit een habitatbenadering een goed beeld te bekomen van een bepaalde ecosysteemdienst. Toch zien we dat dit in de literatuur nog al te vaak een bepaald gebied wordt afgebakend, dat men daar de verschillende habitattypes opsomt en er vervolgens een waarde opplakt per ecosysteemdienst." Haines-Young zet bij deze werkwijze dan ook grote vraagtekens.
Systemen?
Is een systeemaanpak meer geschikt dan een habitatbenadering? Hierbij onderzoekt men het systeem achter bepaalde ecosysteemdiensten. Haines-Young licht toe met een voorbeeld: "Wat is het systeem achter waterzuivering in een landschap? In het eerder vermelde RUBICODE-project wordt daartoe onder meer met het concept ‘dienstenleverende eenheid’ gewerkt. Daarbij probeert men de verzameling organismen, verantwoordelijk voor het afleveren van de beschouwde ecosysteemdienst, in kaart te brengen.”

Figuur 7: De systeemaanpak in schema
Haines-Young en zijn team verrichten in deze context onderzoek voor Natural England, de overheidsinstelling bevoegd voor het platteland en biodiversiteit. "Daarbij focusten we op turfgebieden. Veel van die turflanden werken helemaal niet meer zoals we zouden willen, als gevolg van drainage door de landbouw, door erosie enz. Hierdoor stellen zich niet alleen problemen met de watervoorziening, zo lopen we ook ieder jaar een gigantische mogelijkheid mis om koolstof vast te houden. Naar schatting zou een herstel van deze gebieden ieder jaar de emissies van 84000 familiewagens of 400000 ton koolstof kunnen uitsparen!,” aldus Roy Haines-Young.
Haines-Young en zijn team zochten daarom naar een systeemmodel dat verderbouwde op hun cascademodel. Dat gebeurde opnieuw op basis van literatuuronderzoek en samen met experts. Al deze informatie werd in systeemdiagrammen samengebracht die werden omgezet in Bayesiaanse netwerken (dit zijn waarschijnlijkheidsmodellen die een set variabelen en hun onderlinge afhankelijkheid grafisch voorstellen, n.v.d.r.).
"Dit alles laat toe om de output van bepaalde ecosysteemdiensten in verschillende omstandigheden en scenario’s te voorspellen," aldus Haines-Young, "Bovendien lenen dergelijke Bayesiaanse netwerken zich goed voor het samenbrengen van verschillende types van kennis en informatie. Je kan daarmee vlot de boer op, als basis voor overleg met de betrokken partijen, of als insteek voor het beleid."

Figuur 8: Bayesiaanse netwerken
Maar de ultieme oplossing biedt deze systeemaanpak toch ook weer niet. Haines-Young: "Interacties tussen verschillende ecosysteemdiensten en multifunctionaliteit zijn maar moeilijk in dergelijke modellen te verwerken. Het kan wel, maar zo worden ze snel bijzonder groot en onoverzichtelijk."
In de gesprekken met betrokken partijen en experts viel het Haines-Young overigens op hoe sterk het beeld van wat een ecosysteemdienst in feite is bij verschillende mensen sterk uiteenloopt. "Voor nogal wat rechtstreeks betrokkenen blijven ecosysteemdiensten een ver-van-mijn-bedshow, ondergeschikt aan de ‘echte’ problemen waarmee men geconfronteerd is,” verklaart Haines-Young, “Dat illustreert de nood aan een meer en beter plaatsen van natuurlijk kapitaal ten opzichte van de andere vormen van kapitaal: financieel, sociaal, intellectueel, bouwwerken, …"
Plaatsen?
"Zowel de habitat- als de systeembenadering heeft dus pro’s, maar ook beperkingen. Daarom bogen we ons ook over een locatie-gebaseerde kijk op de wereld," vervolgt Haines-Young. "Het concept plaats speelt een zeer belangrijke rol in het dagelijkse leven. Willen we een invloed uitoefenen op de manier waarop mensen beslissingen nemen en op de keuzes die ze maken, dan moeten we zeker op de juiste schaal en met de juiste eenheden werken. Bovendien gaan vele van de beslissingen die mensen maken ook over plaatsen: plaatsen zijn vaak de context waarbinnen mensen specifieke problemen kaderen. Ook de waarden die ze hanteren zijn vaak sterk contextafhankelijk. In ons onderzoek overliepen we in eerste instantie met heel veel mensen, betrokken partijen, experten,... een omvangrijke vragenlijst: Welke ecosysteemdiensten geassocieerd met een bepaalde plaats tellen mee voor het menselijk welzijn? Hoe worden deze diensten gegenereerd? Ontstaan ze lokaal of worden ze elders gegenereerd? Hoe belangrijk zijn elk van deze diensten, voor wie (individuen of groepen)? Zijn er nog andere mensen buiten dit gebied die afhankelijk zijn van deze diensten? Wat maakt de ene dienst meer prioritair dan de andere en hoe kan er een waarde op worden geplakt? Gaat het hierbij alleen om monetaire waarde of zijn hier ook andere waarden van belang? Verwacht men dat we hier en in de toekomst genoeg over deze diensten zullen kunnen blijven beschikken? Als dat niet zo zou zijn, welke alternatieven, substitutiemogelijkheden ziet men dan hier of elders voor de voordelen die deze diensten leveren? Welke soort beheers- of beleidsacties zijn nodig om deze diensten te beschermen of te ontwikkelen? En met name, hoe kunnen acties gericht naar de ene dienst de andere beïnvloeden (hetzij positief, hetzij negatief)?"
Al deze vragen gaven een welkome structuur aan de stakeholderdialoog over specifieke plaatsen. Lost een dergelijke benadering vanuit een plaatsperspectief alle problemen die eerder werden geschetst op? "Natuurlijk niet," vindt Haines-Young, "maar toch zijn er een aantal belangrijke ontwikkelingen die in het voordeel van zulke aanpak pleiten. Zo ziet men zowel bij overheid als in de bedrijfswereld nieuwe strategieën opgang maken om met milieuverandering om te gaan. Meer men meer gaat men op zoek naar manieren om sectoroverschrijdend te werk te gaan. Het ecosysteemdenken is een manier om dit concreet te maken, ook in het beleidsproces. Bovendien gaan er ook steeds meer stemmen op voor het ‘vergroenen van de economie’ en voor een ‘groene New Deal’, onder meer als gevolg van de klimaatverandering en de economische crisis. Het plaatsgerichte perspectief biedt hierbij een interessante invalshoek: denk aan het in kaart brengen van natuurlijke rijkdommen en baten (zowel in geld als in andere waarden uitgedrukt), lokale werkgelegenheid, duurzame ontwikkelingskansen enz."

FIguur 9: Plaatsgerichte benadering in Bayesiaans netwerk
In het V.K. begint dit alvast meer en meer vorm te krijgen. Het planningsysteem is er recent hervormd en daar lijkt een plaatsgerichte aanpak alvast interessant in de uitwerking van de nieuwe Single Integrated Regional Strategies. Ook in de nood aan meer markt-gebaseerde oplossingsrichtingen kan een meer plaatgerichte benadering worden gehanteerd, vindt Haines-Young, "Zo kan voor specifieke gebieden gedacht worden aan een betalingensysteem voor ecosysteemdiensten."
Een plaats-gebaseerd perspectief kan de ecosysteemdienstenbenadering in elk geval meer ingang doen vinden. Als een opmerkelijk voorbeeld in dat verband bespreekt Haines-Young het SCaMP-project in het Noord-Westen van Engeland. Het project bestaat uit een partnerschap tussen het waterbedrijf United Utilities en lokale grondeigenaars. Een groot deel van de grond in het bezit van U.U. bestaat uit turf- en moerasgebieden die sterk zijn gedegradeerd door drainage, overbegrazing, het inzaaien van grassen, het gebruik van meststoffen enz. Het water dat U.U. uit deze gebieden onttrekt moet daarom eerst worden gezuiverd. "Dat zijn kosten die de natuur voor zijn rekening zou kunnen nemen," aldus Haines-Young, "U.U. rekende voor dat als de natuurlijke turfgebieden zouden worden hersteld dit een jaarlijkse besparing zou opleveren tussen de 1.2 en de 2.6 miljoen pond, alleen al door het vermijden van kosten nodig voor waterzuivering."
Andere gevalstudies, zoals dat van het natuurlijke overstromingsgebied Alkborough Flats, tonen aan dat een plaatsgericht perspectief kan helpen in een nauwkeuriger waardebepaling van ecosysteemdiensten.
De lokale benadering zorgt bovendien voor een meer solide maatschappelijk draagvlak voor beleidsmaatregelen. Het lukt dan beter om betrokken partijen, lokale bevolking, overheden, politici,… te overtuigen, de noodzakelijke werken kunnen vlotter verlopen, de verkoop/onteigening van gronden gaat minder moeizaam, men gaat zich ook veel makkelijker inlaten met de ontwikkeling van andere flankerende diensten enz.
“Het plaatsgerichte perspectief helpt dus wel degelijk om waarden te bepalen en om beter zicht te krijgen op wat deze waarden willen zeggen,” vat Haines-Young samen.
Met een andere gevalstudie van duurzame stedelijke ontwikkeling aan de rand van Nothingham illustreerde Roy Haines-Young tot slot hoe de plaatsgerichte benadering ook interessante perspectieven biedt voor nieuwe vormen van bestuur. Daarbij wordt al in de planfase ruimte voorzien voor ecosysteemdiensten.
De informatie en kennis die volgt uit deze plaatsgerichte benadering kan vervolgens opnieuw in systeemdiagrammen en Bayesiaanse netwerken worden verwerkt. Die vormen op hun beurt een belangrijke insteek voor verdere planning, het ontwikkelen van scenario’s, communicatie met stakeholders, het beslissingsproces enz.
Kortom, de ecosysteemdienstenbenadering, met een belangrijke focus op landschappen vertelt misschien geen nieuw verhaal. Maar het levert wel een nieuwe methodiek die onze ontwikkeling in een duurzame richting kan helpen keren.
http://www.nottingham.ac.uk/CEM
http://www.nottingham.ac.uk/FRESH
http://www.rubicode.net
Dowload de powerpoint presentatie gebruikt door Marion Potschin en Roy Haines-Young
Meer over Marion Potschin
Marion Potschin is van opleiding bodemkundige en geomorfoloog. De voorbije 15 jaar besteedde ze aan inter- en transdisciplinaire benaderingen inzake onderzoek en onderwijs omtrent landschapsthema's. Voor ze naar de VK verhuisde werkte ze 13 jaar lang aan de Universiteit van Basel (Zwitserland) waar ze doctoreerde en haar academische graad behaalde. Daarnaast studeerde ze bij in Mainz (Duitsland) en Ottawa (Canada).
Potschin is hoofdredacteur van Living Review in Landscape Research en coördinerend redacteur voor for Landscape Ecology. Ze is ook adviseur voor de IUCN Commission on Ecosystem Management en een van de reviewers voor het FP7programma van de Europese Commissie. Daarnaast is ze projectevaluator voor FP6 inzake Milieu.
Haar onderzoek spitst zich momenteel toe op zgn. drempelwaarden voor duurzaamheid. Doel is daarbij te komen tot werkbare maatschappelijke beslissingskaders. Ze bouwt daarbij verder op haar inter- and transdisciplinair landschapsecologisch kader, vanuit een holistische visie op ecologie, samenleving en economie. Via het Centre for Environmental Management is Marion Potschin betrokken bij een aantal gezamenlijke onderzoeksprojecten met organisaties uit de publieke sector.
Meer info: Website Universiteit Nothingham
Meer over Roy Haines-Young
Hoewel van opleiding een natuurwetenschapper, heeft Roy Haines-Young zich de laatste jaren meer toegelegd op de sociale context. Voor een deel was dit een gevolg van intensieve samenwerking met beleidsmakers bij de Britse overheid en haar verschillende agentschappen. Haines-Young onderstreept zowel in zijn onderzoek, als in zijn onderwijsopdracht, sterk de nood aan de ontwikkeling van een wetenschapstak die oor heeft voor de brede maatschappelijke discussie over milieuthema's.
Het brandpunt van zijn onderzoek ligt bij duurzaamheid op het niveau van landschappen. Via het Centre for Environmental Management is hij momenteel betrokken in onderzoeksprojecten samen met een aantal organisaties uit de publieke sector.
Hij doceert de vakken landschapsecologie, milieubeheer, geschiedenis var de geografie en milieubeheer in de praktijk.








