ARGUS informeert en inspireert voor een duurzame, milieuvriendelijke samenleving.
De nieuwssite www.argusactueel.be brengt nieuws en actualiteit over milieu, natuur en duurzame ontwikkeling.
Maak kennis met alle andere projecten van ARGUS op www.argusmilieu.be.
9 Juni 2011 - De stem van de meest kwetsbaren moet worden gehoord
LONDON/ISLAMABAD – Vorige week kreeg de wereld een waarschuwing. Een verontrustend rapport van het Internationaal Energieagentschap (IEA), een autoriteit op het gebied van energiebeleid, stelde vast dat de CO2-uitstoot in 2010 hoger was dan ooit gemeten.
Het IAE concludeerde dat als de wereld de opwarming van de aarde wil beperken tot twee graden Celsius boven het niveau van voor de industrialisering, er niet veel tijd meer is om iets te ondernemen. Die twee graden vormen voor klimaatwetenschappers en beleidsmakers al lang een belangrijke drempel. Als hij wordt overschreden, kunnen de gevolgen van de klimaatverandering catastrofaal worden.
Tegen die achtergrond worden de VN-klimaatonderhandelingen die maandag 6 juni in het Duitse Bonn begonnen, nog hoogdringender. Het proces van de VN-kaderconventie over Klimaatverandering (UNFCCC) geeft elk land de kans een rol te spelen in het aangaan van die uitdaging. Maar, zoals dat zo vaak het geval is bij internationale onderhandelingen, dreigen de rijke en meer geïndustrialiseerde landen de Minst Ontwikkelde Landen te overstemmen.
De delegaties in Bonn onderhandelen over onderwerpen die erg belangrijk zijn voor de Minst Ontwikkelde Landen. De bijeenkomst is een cruciale stap op de weg naar de klimaattop van december in Durban. De ontwikkelingslanden hopen dat er tegen die tijd overeenstemming is over een ambitieus en bindend mondiaal akkoord over de opvolging van het protocol van Kyoto, dat volgend jaar afloopt.
Het is onzeker dat een dergelijke overeenkomst in december kan worden gesloten. Om tot een geloofwaardig en echt ambitieus akkoord te komen is het essentieel dat er nu voldoende geluisterd wordt naar de stemmen van de Minst Ontwikkelde Landen.
Op de onderhandelingstafel in Bonn ligt een reeks onderwerpen die te maken hebben met de vermindering van de uitstoot van CO2, met de aanpassing aan een veranderlijker klimaat en met de financiering van maatregelen tegen de klimaatverandering.
Die laatste dimensie is bijzonder reëel voor de Minst Ontwikkelde Landen. De meeste van die landen hebben al af te rekenen met de gevolgen van een veranderd klimaat – van de stijging van de zeespiegel in kleine eilandstaten als Tuvalu tot de uitzonderlijke overstromingen in Bangladesh of de lange droogteperiodes in de Hoorn van Afrika. Die landen hebben dringende gulle financiering nodig om de rampen te verwerken waarvoor ze zelf niet verantwoordelijk zijn en om ze op de weg van groenere en veerkrachtiger ontwikkeling te helpen.
De leden van een overgangscomité zullen in Bonn samenkomen om vorderingen te maken bij de oprichting van een Groen Klimaatfonds, een van de grote toezeggingen van de klimaatonderhandelingen van vorig jaar. Het Fonds moet ontwikkelingslanden helpen over te schakelen op een meer klimaatvriendelijke ontwikkeling. Daarvoor zijn zo snel mogelijk middelen nodig.
Er wordt ook verwacht dat de bijeenkomst in Bonn een comité zal opleveren dat de coördinatie en de uitkering van financië
le middelen aan klimaatprojecten zal verbeteren. Dat zou een grote stap zijn voor het meer efficiënt maken van de hulp van donorlanden.
De verdragsstaten zullen ook de oprichting bespreken van een Aanpassingscomité dat de kwetsbaarheid van landen kan onderzoeken. De ontwikkelingslanden zouden zich akkoord moeten verklaren om hun uitstoot van broeikasgassen beter te meten. Er zal ook gewerkt worden aan een Technologiemechanisme dat de overdracht van technologie tussen de rijke en de ontwikkelingslanden moet versnellen. Verder zullen de plannen worden verfijnd om de uitstoot van CO2 terug te schroeven door de ontbossing te verminderen.
De Minst Ontwikkelde Landen dreigen om een aantal redenen de potentiële voordelen van een mondiaal akkoord mis te lopen. In de eerste plaats zijn de Minst Ontwikkelde Landen afhankelijk van grotere samenwerkingsverbanden als de G77 om over alle onderhandelingsthema's mee te beslissen. Dat betekent dat een erg diverse groep van landen vaak een gemeenschappelijke deler moet vinden bij discussies over essentiële beleidsonderwerpen. Bij die zoektocht naar een consensus kunnen de belangen van aparte landen over het hoofd worden gezien.
Ten tweede moeten de Minst Ontwikkelde Landen teruggrijpen naar complexe wetenschappelijke studies en rapporten om kans te maken te worden gehoord. Die studies komen vaak uit de industrielanden, van internationale denktanks en van andere bronnen buiten de ontwikkelingslanden. De ontwikkelingslanden kunnen vaak moeilijk aan informatie met alternatieve en meer relevante gezichtshoeken komen.
Ten slotte worden de discussies steeds juridischer, en op dat vlak is er is een grote kloof tussen de capaciteit van de onderhandelaars. De Minst Ontwikkelde Landen hebben het moeilijk om snel de nodige expertise te mobiliseren om de onderhandelingen te beïnvloeden of de gewenste richting uit te sturen. Ook het grote aantal vergaderingen maakt het moeilijk voor landen met weinig middelen om overal aanwezig te zijn en een samenhangende onderhandelingsstrategie te hanteren.
Het gevaar is dat cruciale onderhandelingspartners uiteindelijk maar in beperkte mate zullen kunnen deelnemen aan de gesprekken. Er is weinig kans dat de landen die het meest te lijden hebben onder de klimaatverandering, de hulp krijgen die ze nodig hebben omdat hun standpunten niet duidelijk genoeg verwoord worden.
Het CDKN helpt de Minst Ontwikkelde Landen bij onderhandelingen als die in Bonn om de taal en de mechanismen van de onderhandelingen te interpreteren. Die kortetermijnhulp kan het beste worden verbonden met capaciteitsversterking voor beleidsmakers uit die landen op langere termijn. Het CDKN ondersteunt ontwikkelingslanden om genoeg te investeren in onderzoek, de verkenning van beleidsopties en de versterking van overheidsinstellingen en niet-gouvernementele organisaties om meer invloed te doen gelden op de klimaatonderhandelingen.
Waarom moeten de industrielanden zich zorgen maken over hoe de Minst Ontwikkelde Landen presteren tijdens de onderhandelingen? Als er een klimaatakkoord komt dat strijdig is met de belangen van de ontwikkelingslanden, verliest iedereen daarbij. Een zwakke inbreng van de Minst Ontwikkelde Landen kan tot een akkoord leiden dat niet genoeg aandacht besteedt aan de gevolgen van de klimaatverandering voor de allerarmsten, wat significante gevolgen kan hebben voor de groei van de wereldeconomie, op migratiestromen en voor de uitputting van onze grondstofvoorraden.
De Minst Ontwikkelde Landen zullen niet van vandaag op morgen de onderhandelingsmacht van de landen van de G20 bereiken, en alleen kunnen ze dit jaar geen goed klimaatakkoord afdwingen. Het is verstandig de Minst Ontwikkelde Landen de steun en de ruimte te geven om een betekenisvolle rol te spelen bij de klimaatonderhandelingen. Het verhoogt de kans op een mondiaal akkoord en een internationaal financieel kader dat de meest kwetsbare mensen op deze planeet beschermt, en daardoor ons allemaal.
Sam Bickersteth is algemeen directeur van het Britse Climate and Development Knowledge Network (CDKN).
Ali Tauqeer Sheikh is directeur Azië van het CDKN.
Het CDKN is een vijfjarenproject om beleidsmakers uit ontwikkelingslanden te helpen een klimaatvriendelijke politiek uit te werken en te voeren.
In de kijker
- 17/05 - Steeds meer schade door natuurrampen: een nieuwe economische crisis in de maak?
- 16/05 - Droogte teistert Australië
- 15/05 - Wereldberoemde Groot Barrièrerif in gevaar
- 14/05 - Bewezen: luchtvervuiling veroorzaakt astma
- 13/05 - Blootstelling aan chemische stoffen minstens zo dodelijk als malaria










