ARGUS informeert en inspireert voor een duurzame, milieuvriendelijke samenleving.
De nieuwssite www.argusactueel.be brengt nieuws en actualiteit over milieu, natuur en duurzame ontwikkeling.
Maak kennis met alle andere projecten van ARGUS op www.argusmilieu.be.
26 Januari 2010 - Zolang er honger is, blijft een duurzame toekomst onmogelijk
De impact van de klimaatverandering zal vooral hard zijn voor de bevolkingsgroepen die in armoede leven, niet institutioneel beschermd zijn en minder goed in staat zijn om snel te reageren op extreme omstandigheden, aldus José Graziano da Silva van de FAO.
SANTIAGO – Als we een ondervoed kind op de weegschaal zetten, wegen we niet alleen een verzwakt organisme maar ook de synthese van een wereldwijd denkpatroon dat bomen omhakt, vernieling zaait en een degelijk leven voor een miljard mensen overal ter wereld onmogelijk maakt. Het geweten van de 21e eeuw kan niet langer negeren dat, zolang er honger is, er geen duurzame toekomst mogelijk kan zijn.
Alles wat ervoor zorgt dat bevolkingsgroepen uitgesloten worden, kan nooit tot een duurzaam evenwicht leiden. De uitdagingen waar de mensheid mee te maken krijgt, kunnen niet aangepakt worden met een herhaling van het ontwikkelingspatroon van de vorige eeuw, dat ons met verschillende sociale en ecologische problemen heeft opgezadeld.
De impact van de klimaatverandering zal vooral hard zijn voor de bevolkingsgroepen die in armoede leven, niet institutioneel beschermd zijn en minder goed in staat zijn om snel te reageren op extreme omstandigheden. Het zijn die mensen die uitgesloten zijn van de markt, kleinschalige boeren en de armen van het platteland. In bijna alle regio's van de wereld leven de armere bevolkingsgroepen in de regio's die kwetsbaarder zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering, die nog geaccentueerd wordt door fenomenen als El Niño and La Niña.
De klimaatverandering vergroot ook de intensiteit en onvoorspelbaarheid van weerfenomenen. De gevolgen zijn nu al zichtbaar in bijvoorbeeld de stijgende prijs van landbouwverzekeringen en in watertekorten in sommige delen van de wereld – de grootste bedreiging voor de expansie van de voedselproductie. Bovendien leidt de onzekerheid die de klimaatverandering met zich meebrengt tot volatiele voedselprijzen.
Van nu tot 2050 riskeren ontwikkelingslanden een daling van hun landbouwproductie van 9 tot 11 procent. Zelfs een relatief beperkte stijging tussen 1 en 2 graden Celsius kan al een significante impact hebben op de voedselveiligheid in de wereld als er geen effectieve maatregelen genomen worden om zich aan te passen aan die gevolgen. Zo'n temperatuurstijging zou leiden tot een dalende productiviteit en een inkrimping van het landbouwareaal in lager gelegen gebieden rond de evenaar, precies de regio waar de meeste ontwikkelingslanden gelegen zijn.
Daartegenover staat dat de wereldbevolking naar verwachting nog met 80 miljoen per jaar zal stijgen, ongeveer het equivalent van de bevolking van Ethiopië. Zo zullen er tegen 2050 meer dan 9 miljard monden te voeden zijn. Om voor voldoende voedsel te zorgen, schat de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) dat elk jaar de landbouwproductie van Australië moet toegevoegd worden.
Er is dus geen Malthusianisme nodig om te beseffen dat de klimaatverandering de voedselveiligheid in de wereld bedreigt. Toch is er genoeg land en genoeg technologische kennis voorhanden om de productie te verhogen en alle bewoners van deze planeet te voeden. Dat is mogelijk zonder het landbouwareaal verregaand uit te breiden. De FAO schat dat 90 procent van de meeropbrengst die nodig is in 2050 kan komen van productiviteitsverhogingen, en amper 10 procent van een uitbreiding van het areaal.
Het ontbreekt nog aan voldoende investeringen en politiek engagement om dat productiviteitspotentieel ten volle te benutten. Dat bevestigt nogmaals de hoogdringende nood aan duidelijk actie om honger uit te roeien en tegelijk de scheefgetrokken ecologische verhoudingen te corrigeren.
Zoals Kopenhagen het begin kan blijken van een nieuwe cyclus die ons effectief in staat stelt om de klimaatverandering aan te pakken, zo was de Wereldvoedseltop in november misschien eenzelfde startpunt in de strijd tegen de honger.
Wat er de voorbije jaren vergeten is, is wellicht even belangrijk. Sinds de jaren tachtig hebben regeringen, met name in ontwikkelingslanden, zich gehaast om de verantwoordelijkheid voor een gegarandeerd voedselaanbod op de thuismarkt te verschuiven naar de internationale markten en hun "just-in-time" aanbod van goedkoop voedsel. Het gevolg is dat ontwikkelingsprogramma's op het platteland ontmanteld werden, met name die waar de nadruk op kleine boeren lag.
Noodvoorraden werden afgebouwd. Het aandeel van officiële ontwikkelingshulp voor de landbouw daalde van 17 procent in de jaren tachtig naar minder dan 5 procent vandaag. Wat voor zin had het om schaarse overheidsmiddelen in landbouw te stoppen, in een wereld waar het aanbod overvloedig was en de markten de plak zwaaiden?
Het antwoord op die vraag kwam in de vorm van een ramp: de voedselprijzen explodeerden in 2008 en het aantal ondervoede mensen steeg wereldwijd naar een somber record: van 873 miljoen naar meer dan een miljard in amper twee jaar.
De eerste Millenniumdoelstelling is daardoor moeilijker te halen en de internationale hulp blijft onvoldoende. Het antwoord op de top van Rome was dan ook duidelijk: het is tijd om veel sterker in te zetten op ontwikkeling in de strijd tegen honger. En dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ontwikkelingslanden.
Strategieën om voedselveiligheid te verbeteren kunnen niet opgelegd worden door de buitenwereld: ze moeten gestoeld zijn op een nationale dialoog binnen het land met – indien nodig - de steun van de internationale gemeenschap.
Rijke landen blijven onder druk staan om 0,7 procent van hun bruto binnenlands product aan ontwikkelingssamenwerking te besteden en ervoor te zorgen dat landbouw minstens de helft krijgt van de middelen die ze in de jaren tachtig kreeg. Maar enkel de overheden in de ontwikkelingslanden zelf kunnen de leemtes opvullen die de wereldwijde crisis aan het licht bracht: de leemte die ontstond door het geloof in de mythe van de zelfregulering van de markt, en de leemte als gevolg van de loze beloften dat internationale solidariteit een miljard mensen voor honger zou beschermen.
De met elkaar vervlochten problemen van honger en milieu kunnen alleen een antwoord krijgen door de transformerende energie van de samenleving. Voorbij aan de apathie van de politieke klasse moet de samenleving oplossingen op elkaar afstemmen die deel uitmaken van één ondeelbare agenda – dat bleek in Kopenhagen en Rome– die van een duurzame samenleving.









